Als u komt te overlijden terwijl u nog werkt, dan kan uw achterblijvende partner maandelijks partnerpensioen krijgen. Dat is 70% van het pensioen dat u zou opbouwen als u tot uw 65e had gewerkt. Uw kinderen krijgen tot hun 18e verjaardag ieder 20%. Ze krijgen tot hun 27e wezenpensioen als zij nog studeren.
Uw achterblijvende partner krijgt geen partnerpensioen als u korter dan een jaar samenwoonde of getrouwd was voor u komt te overlijden. Dit geldt ook voor het wezenpensioen van de kinderen van uw partner.
Uw achterblijvende adoptiekinderen, stiefkinderen, of pleegkinderen krijgen soms ook niets. Ze krijgen niets als de erkenning of het verzoek tot adoptie van het kind korter dan een jaar geleden is. Ze krijgen ook niets als het op zich nemen van de zorg voor het stiefkind of pleegkind korter dan een jaar geleden is.
Uw achterblijvende partner en kinderen krijgen in principe nabestaandenpensioen. Zij hebben geen aanspraak op partner- en wezenpensioen als u korter dan een jaar deelnemer was en anders dan door een ongeval overlijdt
Als u komt te overlijden, dan meldt de gemeente dit aan het pensioenfonds. Wij sturen uw nabestaanden een aanvraagformulier.
Als de nabestaanden binnen een maand na het overlijden van de deelnemer geen aanvraagformulier hebben ontvangen, dan kunnen zij contact opnemen met het pensioenfonds.
Als u zeker wilt weten dat u als nabestaande op tijd het nabestaandenpensioen ontvangt, dan is het verstandig dat de nabestaande zelf het overlijden van de deelnemer meldt. Het kan namelijk even duren voordat wij de melding van de gemeente ontvangen.
Het nabestaandenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand waarin de werknemer in de bedrijfstak voor de groothandel textiel is overleden.
Wanneer betalen wij het pensioen?
Nabestaanden krijgen maandelijks nabestaandenpensioen. Tegen het einde van de maand ontvangen de nabestaanden de uitkering op hun bank- of girorekening. Op hun jaaropgaven staat een overzicht van de inhoudingen voor de belasting. Dit kunnen zij gebruiken voor de belastingaangifte.
Wezenpensioen en burgerservicenummer
Wij kunnen wezenpensioen pas betalen als de wees of halfwees een burgerservicenummer (BSN; voormalig sofinummer) heeft. Het BSN is een persoonsnummer dat iedereen krijgt die ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Het BSN is gelijk aan het sociaal-fiscaalnummer (sofinummer).
Ex-partner
Als u een ex-partner heeft, kan deze ook recht hebben op een deel van het totale partnerpensioen. Als u bij overlijden een ex-partner en een nieuwe partner achterlaat, krijgen zij mogelijk beide een partnerpensioen. Zij krijgen niet ieder het gehele partnerpensioen. Het partnerpensioen hangt af van de duur van de relatie met de overleden werknemer. Hoe langer samen pensioen opgebouwd, hoe meer partnerpensioen. Nadat partners uit elkaar zijn heet partnerpensioen bijzonder partnerpensioen.
Anw-gat
Als u overlijdt kan uw partner van de overheid uit de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering ontvangen. Dit kan als:
- uw partner jonger is dan 65, en geboren vóór 1 januari 1950;
- uw partner kinderen heeft die jonger zijn dan 18 jaar of;
- uw partner voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is en niet meer verdient
dan € 2.263,41 per maand.
Als uw partner eigen inkomsten heeft, krijgt hij of zij minder of geen Anw-uitkering. Als uw partner jonger is dan 65 jaar, heeft deze mogelijk last van het Anw-gat. Er is een gat als de achterblijvende partner geen volledige Anw-uitkering van de overheid krijgt. Meer informatie over de Anw-uitkering vindt u op www.anw.nl.
De Anw-uitkering heeft geen invloed op het partnerpensioen van het pensioenfonds.
Het is verstandig om na te gaan of er na uw overlijden genoeg geld is voor uw nabestaanden. U kunt zelf een regeling treffen. U kunt naar een verzekeraar of tussenpersoon gaan of zelf sparen voor een buffer. U kunt ook bij uw werkgever informeren of deze een regeling biedt.
|