U als werkgever hoeft niets te regelen voor de pensioenaanvraag. Uw werknemer moet zelf zijn pensioen aanvragen.
Voordat uw werknemer met pensioen gaat, hoort hij van ons welk maandbedrag hij krijgt. De uitkering is een nettobedrag. Wel kan de werknemer zelf nog extra aftrekposten of bijtellingen hebben, bijvoorbeeld vanwege de aftrek van hypotheekrente of medische kosten. Hiervan moet uw werknemer zelf aangifte doen bij de Belastingdienst.
Uw medewerker heeft de keuze:
Hij kan stoppen met werken tussen 55 en 70 jaar. Als hij stopt met werken kan hij kiezen:
- meer geld voor zichzelf of meer geld voor zijn partner;
- eerst hoger en dan lager pensioen.
Meer geld voor zichzelf of meer geld voor zijn partner
Uw medewerker kan kiezen voor extra pensioen voor zichzelf. Dit kan als hij geen partner heeft. Meer pensioen voor de medewerker kan ook als hij een partner heeft die zelf genoeg geld verdient. Uw medewerker kan ook meer geld voor zijn partner regelen. Zelf krijgt uw medewerker dan minder pensioen. Uw medewerker mag één keer kiezen. Uw medewerker kiest samen met zijn partner.
Eerst hoger en dan lager pensioen
Uw medewerker kan de eerste jaren hoger pensioen krijgen. Daarna krijgt uw medewerker een lager pensioen. Het lage bedrag is minimaal 75% van het hoge bedrag. De keuze voor de hoog/laag-uitruil is onherroepelijk. Uw medewerker mag één keer kiezen. Uw medewerker kiest een half jaar voor de ingangsdatum van het pensioen. Als het ouderdomspensioen is ingegaan, kan uw medewerker de hoogte niet meer veranderen. De keuze voor hoog/laag-uitruil heeft geen invloed op de hoogte van het partner- en wezenpensioen. |